banner met de naam van het museum
Niet keizerlijke figuren kregen gaandeweg steeds meer mogelijkheden om zich in het openbaar te laten uitbeelden. Bronzen beelden zoals dit portret van een jongeman uit Klein-Azië zijn zeldzaam omdat brons in later tijden vaak werd omgesmolten en hergebruikt. (apm 06287).

Romeinse wereld

Stichting en Koningstijd
Toen Romulus Rome stichtte in 753 v. Chr., zag het er niet naar uit dat het hutdorpje op de Palatijn, een van de spreekwoordelijke zeven heuvels aan de oevers van de Tiber, zou uitgroeien tot de hoofdstad van een wereldrijk. Rome ambieerde echter al spoedig machtsuitbreiding in Midden-Italië. Het onderging veel invloeden van de Etrusken en stond voor korte tijd zelfs onder Etruskische heerschappij. Volgens de traditie regeerden er tussen 753 en 510 v. Chr. zeven koningen aan wie verschillende maatregelen worden toegeschreven.

Republiek
In 510 v. Chr. werd aan de alleenheerschappij van de laatste koning, de Etrusk Tarquinius Superbus, een einde gemaakt. Als nieuwe staatsvorm werd de republiek ingesteld. De leiders van de staat mochten hun ambt slechts één jaar uitoefenen en zij deden dit altijd in paren. Aanvankelijk werden deze leidinggevende figuren alleen uit de bovenlaag gekozen, maar later kreeg een veel grotere groep mannelijke burgers actief en passief kiesrecht.
Men kon in het openbaar bestuur carrière maken volgens een voorgeschreven volgorde die liep van aediel (een soort wethouder van openbare werken) tot consul (een soort burgemeester). De Senaat (letterlijk 'raad van ouderen') hield toezicht op wetgeving en wetshandhaving en bracht adviezen uit. De legerleiding was in handen van officieren, consuls en praetoren.

Burgeroorlogen
In de vierde en derde eeuw v. Chr. breidden de Romeinen hun invloedsgebied sterk uit. Juist door deze expansie begon het Romeinse bestuurssysteem scheuren te vertonen. Sulla, Pompeius en Caesar waren het oneens over de te voeren politiek en na de moord op de laatste in 44 v. Chr. ontstond een bloedige burgeroorlog. Uiteindelijk greep Caesars adoptiefzoon Octavianus de macht. Hij werd in 27 v. Chr. princeps (letterlijk 'eerste onder de burgers') en droeg de erenaam Augustus ('Verhevene'). Augustus handhaafde in principe de Republikeinse staatsinrichting, maar de macht lag van nu af bij de keizer.

Expansie
De twee eerste eeuwen van onze jaartelling laten een enorme expansie van macht en economie van het Romeinse Rijk zien. Uiteindelijk waren alle landen rond de Middellandse Zee onderdeel van het Imperium Romanum. De Rijn vormde de noordgrens en de oostgrens lag in het huidige Irak. Egypte en Noord-Afrika produceerden graan voor de wereldstad Rome en overal werd Latijn en/of Grieks gesproken. De lokale bestuurssystemen bleven bestaan onder een overkoepelend Romeins bestuur. Uit alle delen van het Rijk trokken mensen naar Rome.

Verdeling van het rijk
Na 200 na Chr. ontstonden interne problemen; de druk op de grenzen werd groter en verschillende groepen streden om autonomie. Aan het einde van de derde eeuw kon het Rijk niet langer als een eenheid functioneren. Het werd in vieren verdeeld en Rome verloor zijn centrale positie. In de vroege vierde eeuw werd Constantinopel, genoemd naar Keizer Constantijn, de hoofdstad van het Rijk.

Huizenbouw
Van de wooncultuur uit de koningstijd en republiek is in Rome door permanente bewoning met voortdurende veranderingen en verbouwingen vrijwel niets over. Ook wat de latere tijd betreft moet letterlijk gezocht worden onder bestaande, middeleeuwse en recentere bebouwing.
Pompeii biedt voorbeelden van huizenbouw vanaf de derde eeuw v. Chr tot de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n. Chr., de havenstad Ostia voor de gehele keizertijd. In de Republikeinse tijd ontwikkelden zich huizen met een centrale open ruimte (atrium). Vanaf de tweede eeuw werden deze soms uitgebreid met een peristylium (zuilengalerij). Wegens grondschaarste ontstonden in de eerste eeuw n. Chr. flatgebouwen waarvan in Ostia voorbeelden bewaard zijn gebleven.
In Rome omringden openbare en religieuze gebouwen de centrale plaats van de stad, het forum, en bekroonden de toppen van de heuvels. De bakstenen woonhuizen stonden dicht om die monumenten heen en contrasteerden met de officiële gebouwen die uit marmer en travertijn waren opgetrokken. De façades waren versierd waren met beelden, zuilen en reliëfs.

Tempels en religie
De Klassieke tempels zijn ontleend aan Etruskische voorbeelden. Ze werden gemaakt van hout, tufsteen en terracotta. Doordat ze op een hoog podium stonden, waren ze in het stadsbeeld van verre herkenbaar. Naar voorbeelden uit de Griekse en Hellenistische wereld werden vanaf de late tweede eeuw ook marmer en kalksteen gebruikt.
Er heersten in Rome geen algemeen geldende regels op het gebied van godsdienst. De staat liet iedereen vrij, mits men de staatsgoden en machthebbers eerbiedigde en indien nodig eer bewees. Hierdoor konden aanhangers van de geïmporteerde Egyptische Isiscultus, joden en christenen ongestoord hun religieuze praktijken uitoefenen.

Huis, inrichting en huisraad
Romeinse woningen waren multifunctioneel. Een familie kon bestaan uit meer generaties plus personeel (meestal huisslaven) en iedereen oefende verschillende taken uit. Men ontving veel en graag, niet uitsluitend uit warme gastvrijheid, maar vooral om zijn welvaart en welstand te laten zien. Prestige werd tot uitdrukking gebracht in de aankleding van de woning met schilderingen, mozaïeken en meubilair.
Het eten en het aansluitende drinkgelag vonden in de late middag en vroege avond plaats. Om de eetruimtes te verlichting werden olielampen gebruikt. Vaak grensden eetvertrekken aan een tuin met daaromheen een zuilengalerij.

Portretten
Voor Grieken en Romeinen waren portretten iets uitzonderlijks. Niet iedereen mocht zich zomaar laten vereeuwigen en het was niet uitsluitend een kwestie van geld. Vooraanstaande personen konden in het openbaar na hun dood worden geëerd met een standbeeld.


De binnenplaatsen en binnentuinen van villa's in de plaatsen rond de Vesuvius werden vaak aangekleed met marmeren beelden. Diverse thema's uit de mythologie of het dagelijks leven werden in marmer weergegeven. Maar ook genretaferelen waren populair. Dit jongetje zou vanwege zijn dikke kleding een personificatie van het jaargetijde de Herfst kunnen voorstellen.


De Romeinen verlichtten hun huizen met olielampen. In de eerste eeuw ontstond er grote vraag naar lampen en een massaproductie was het gevolg. Boven op de lamp, rond het vulgat voor de olie, treffen we zeer uiteenlopende afbeeldingen aan. Op de onderzijde van de lamp staat soms een stempel van de werkplaats waar de lamp werd gemaakt.


Niet keizerlijke figuren kregen gaandeweg steeds meer mogelijkheden om zich in het openbaar te laten uitbeelden. Bronzen beelden zoals dit portret van een jongeman uit Klein-Azië zijn zeldzaam omdat brons in later tijden vaak werd omgesmolten en hergebruikt. (apm 06287).


Portretten van overledenen op een grafplaat of sarcofaag. Dit gedeeltelijk bewaarde reliëf was waarschijnlijk de voorzijde van een sarcofaag, maar het kan ook de afsluitplaat geweest zijn van langwerpige grafnis die in de muur was uitgehakt (een z.g. loculus). In het medaillon zijn de portretten van een overleden man en vrouw uitgehakt. Mannelijke zeewezens (Tritonen), die uit het water oprijzen, houden het medaillon vast. (apm 08552).


Rond 100 n. Chr. werden de doden door de Romeinen niet meer gecremeerd maar bijgezet in marmeren sarcofagen. De sarcofagen werden vaak versierd met mythologische taferelen. In dit geval staat de god Dionysus centraal. In zijn gevolg zien we extatische maenaden (de vrouwelijke volgelingen van de god van de wijn) die muziek maken en een bokje offeren.


Zand, kalk en soda zijn de essentiële bestanddelen van glas dat door toevoeging van metaalverbindingen gekleurd kon worden. Glas komt al vanaf het 4de millennium voor, vanaf het midden van de 1ste eeuw v. Chr. komt geblazen glas in omloop; een belangrijke ontwikkeling die zorgde voor een grote variëteit aan vormen waaronder deze wijnkan.